Beproefd concept voor zakelijke samenwerking

Nederland telt meer dan 4.000 coöperaties. Sommige bestaan al heel lang, zoals de Rabobank, andere zijn piepjong. Wanneer werkt een coöperatie wel en wanneer niet? En welke ondersteuning biedt de Rabobank?

‘Er is sprake van een tweede golf van nieuwe coöperaties’, constateert Henk Doorenspleet. Hij is coöperatie-ontwikkelaar bij de Rabobank. Voor het voorbereiden en opzetten van coöperaties is hij vraagbaak en adviseur voor lokale Rabobanken en hun klanten. De afgelopen jaren waren lokale Rabobanken betrokken bij tientallen lokale initiatieven, waarbij klanten een coöperatieve vereniging oprichtten om gezamenlijk zakelijke activiteiten in te ontplooien. De Rabobank is mede-oprichter van de Nederlandse Kamer van Coöperatie, een adviesloket voor mensen die een coöperatie willen opzetten.

Samen oppakken

De eerste golf van coöperaties dateert van 100 tot 150 jaar geleden. Markten functioneerden niet goed en het was slecht gesteld met de positie van individuele mensen. Sparen, een bedrijfslening, verzekering, afzet van melk of suikerbieten, het bleek voor mensen pas weggelegd als ze het samen konden oppakken. Zo werd in dorpen de basis gelegd van grote coöperaties die nu een belangrijke rol spelen in de Nederlandse economie. Denk aan de Rabobank, de verzekeraars Achmea, Univé en VGZ en de voedingsbedrijven FrieslandCampina en Cosun.

Samen regelen dat het gebeurt

Wat verklaart de golf van nieuwe coöperaties? ‘Mensen willen zelf weer dingen doen, samen dingen organiseren die goed zijn voor hun omgeving en voor henzelf, maar die door niemand worden opgelost’, zegt Doorenspleet. Voorbeelden? Glasvezelverbindingen in buitengebieden, duurzame energievoorziening of zorgaanbod in dorpen en wijken. Soms gebeurt dat door individuele mensen die de handen ineen slaan, soms gebeurt dat doordat een bestaande dorpsvereniging zakelijke activiteiten gaat ontplooien en deze onderbrengt in een coöperatie.

In zeven stappen kan een idee zich ontwikkelen tot een heuse zakelijke coöperatie. Na het idee zijn drijvende krachten nodig, een business case en het idee voor een concreet, herhaalbaar project. Is dat allemaal in beeld en is de coöperatieve vereniging een feit, dan is het moment aangebroken om de eerste zakelijke activiteiten voor te bereiden en te starten. ‘Iets met een begin en een einde’, zegt Doorenspleet. Als dat eerste project is afgerond, is het zaak dat de coöperatie echt gaat draaien.

Het naïeve gaat eraf

Wat kunnen klanten verwachten van de lokale Rabobank? Doorenspleet: ‘Als Rabobank zijn we er om samen de klant en zijn omgeving te versterken. Als klanten samen een idee hebben dat het beste in coöperatievorm kan worden uitgevoerd, dan denken onze lokale banken vaak mee en is er soms ook geld uit het Coöperatiefonds voor een eerste opstapje. Leden zelf moeten echter zorgen voor de bemensing, de business case en het risicodragend kapitaal. Als het gaat om eventuele bancaire financiering, staat de Rabobank daar op de gebruikelijke wijze in. Dat betekent bijvoorbeeld dat er een businessplan moet zijn, dat zicht geeft op rente- en aflossingscapaciteit en er moeten zekerheden zijn.’

Nieuwe vormen

Wat helpt: een coöperatie hoeft niet alles zelf te doen. Doorenspleet: ‘Projecten ontwikkelen kost geld en tijd. Je ziet daarom nieuwe vormen ontstaan. Denk aan energiemaatschappijen die windmolenparken opzetten en toestaan dat lokale coöperaties in het eigen vermogen participeren. Een windmolen is heel ingewikkeld, kan jaren ontwikkeltijd vergen en veel geld aan ontwikkelingskosten.’

Hoe overtuigd Doorenspleet ook is van kracht van de coöperatieve ondernemingsvorm, hij benadrukt dat het begint bij een gezond businessplan en daadkrachtige initiatiefnemers. In de praktijk merkt hij: ‘Het naïeve gaat eraf. Mensen snappen dat de leden er echt voor moeten gaan, zowel qua samenwerking als qua financiële inspanning. De financiering van een coöperatief initiatief begint immers met ledenkapitaal.’

Lees meer