Soja: wat weten we er eigenlijk van?

De keerzijde van een succesvol gewas

Soja: dat kennen we. Van die lentegroene edamame-bonen, nog in de peul, die je vers uit hun jasje eet. Van tofu en tempeh, van sojaburgers en sojaballen, van sojasaus en de soja latte bij de coffee company.

Toch zit verreweg de meeste soja in ons menselijk dieet verstopt. Op de verpakking van een stukje biefstuk zal je niet snel tegenkomen dat voor jouw kilo vlees een koe tot wel vijf kilo soja heeft gegeten.

Zuid-Amerika: hofleverancier van soja

Zonder het te weten eten Europeanen indirect zo’n zestig kilo soja per jaar, of ruim een kilo per week, met onze consumptie van kip, rund, varken, vis, eieren en zuivel. Zo’n 75 tot 80 procent van de wereldwijde sojaproductie gaat naar de veevoerindustrie. Dit verborgen product komt ook met voor ons verborgen kosten. Door de toenemende vraag naar vlees en zuivel, is het areaal landbouwgrond voor de sojateelt sinds begin jaren negentig bijna verdrievoudigd. De sojateelt in Europa, rond de Donau, levert slechts een fractie op van wat we als Europeanen verbruiken. Het leeuwendeel van de sojaproductie heeft plaats in Zuid-Amerika. Daar ligt inmiddels zo’n 114 miljoen hectare aan landbouwgrond voor de sojateelt. 114 miljoen hectare: dat is Frankrijk, Duitsland, België en Nederland samen. Volgens cijfers van IUCN NL, de Nederlandse tak van de International Union for the Conservation of Nature, neemt de mondiale soja-industrie ruim 120 miljoen hectare in beslag en produceert deze in totaal zo’n 350 miljoen ton bonen.

Ongeveer twee derde van de oogst wordt geëxporteerd. China is de gretigste afnemer, met een import van ruim 90 miljoen ton. Europa, zo vermeldt de European Soy Monitor van IUCN NL, koopt jaarlijks tussen de 30 en 35 miljoen ton, waarvan Nederland 8 miljoen ton voor zijn rekening neemt. Dat maakt ons tot de een-na-grootste soja-importeur ter wereld. Al gebruiken we zelf ‘slechts’ dertien procent van die soja; de rest verwerken we en wordt verhandeld. En het lijkt er niet op dat de vraag binnenkort afneemt. Integendeel: door de groeiende populatie en economische ontwikkeling neemt de behoefte naar vlees, en dus veevoer, in rap tempo toe.

Omgeploegde regenwouden en savannes

Goed, we gebruiken dus met z’n allen soja. Héél veel soja. Maar waarom is dat een probleem? Nou: die uitdijende productie vindt voornamelijk plaats op voormalige bosgrond of savanne. De soja-industrie is, na de rundvleesproductie, de voornaamste (agrarische) aanstichter van ontbossing wereldwijd. Regenwoud en andere natuurgebieden worden omgeploegd en moeten plaatsmaken voor akkers. Die constante dreiging geldt niet alleen voor de Amazone. De Cerrado, het uitgestrekte savannegebied in Zuid-Amerika dat zo’n vijf procent van alle dier- en plantsoorten huist, heeft het vandaag de dag nog harder te ontgelden. Sinds halverwege de 20e eeuw is ongeveer de helft van de Cerrado getransformeerd tot landbouwgrond. Als gevolg van die ontwikkeling is de habitat van duizenden inheemse soorten vernietigd.

Een korte documentaire waarin een Braziliaanse sojaboer, een duurzaamheidsspecialist van de Rabobank, de Round Table on Responsible Soy en het Wereld Natuur Fonds hun licht schijnen op soja.


Ontbossing kent wereldwijde klimaateffecten

Het verlies van deze ecosystemen in onder andere de Cerrado heeft verstrekkende gevolgen. Inheemse volken worden verdreven, dier- en plantensoorten sterven uit, de bodem verarmt en schone waterbronnen verdwijnen. Maar de gevolgen reiken verder dan het Zuid-Amerikaanse continent alleen: het boslandschap van de Amazone en de Cerrado spelen een belangrijke rol in de regulering van het klimaat op aarde. In de bomen ligt een enorme hoeveelheid koolstof opgeslagen, die gelijk staat aan meer dan een decennium van wereldwijde broeikasgasemissies. Bij ontbossing belandt die koolstofdioxide in de atmosfeer en draagt ze bij aan de opwarming van de aarde.

Naast het milieuaspect van de soja-industrie, laten de werkomstandigheden ook nog vaak te wensen over. Op een aantal plantages in Brazilië zouden arbeiders nagenoeg tot slaaf zijn gemaakt. Anderen worden blootgesteld aan onverantwoorde hoeveelheden pesticiden.

Kortom, de situatie is onhoudbaar, en de herziening van de industrie noodzakelijk. Maar waar moeten we beginnen?

Minder vlees, minder soja?

Natuurlijk helpt het als we met zijn allen wat vaker vleesproducten laten staan. Toch is deze ‘oplossing’, in ieder geval binnen afzienbare tijd, niet erg realistisch. Zoals eerder al genoemd neemt de vraag naar varkenshaasjes, kipfilet, rundvlees en melkproducten alleen maar toe. Dat tij is niet op korte termijn te keren. Al is dat ook geen vrijbrief voor ongebreidelde vleesconsumptie: de kwestie van dierenwelzijn nog daargelaten is het altijd efficiënter zelf een sojaproduct te kopen, dan een beest te eten dat een veelvoud van die soja heeft verbruikt.

Dan volgt de vraag: is er een beter alternatief? Zouden we de soja in veevoer kunnen vervangen door iets anders? Nou, zegt Robert Hoste, een veehouderij-econoom aan de Wageningen Universiteit: ten eerste is een alternatief op deze schaal niet zomaar voorhanden. Daar komt bij dat soja een proteïne- en vetrijk product is, dat heel goed voorziet in de behoeftes van jonge dieren. “De aminozuren in soja sluiten bijna naadloos aan op wat ze nodig hebben. Dat geldt trouwens ook voor mensen: fysiologisch gezien verschillen we niet zoveel van varkens.”

Tuurlijk, zegt hij: er is een scala aan andere peulvruchten. “Maar die zijn qua samenstelling toch minder geschikt dan soja. We zouden flink inboeten aan efficiëntie. Bovendien: veel schiet je er niet mee op. Want voor die andere gewassen moeten we net zo goed op zoek naar landbouwgrond.”

Oerwoud aan keurmerken

Ook Richard Piechocki, Senior Sustainability Financing Officer van de Rabobank, beaamt: “Met de boon zelf is niks mis — soja is gewoon een heel goed product. Het punt is: het gewas is zo succesvol, dat dit nu ten koste gaat van het milieu.” Het is dus volgens hem zaak de hele industrie te verduurzamen. Maar wanneer kunnen we eigenlijk spreken van duurzame soja? Een ongelooflijk lastige vraag, stelt Jochem Bouwmeester, directeur Food & Agri bij de Rabobank. Als je milieuvriendelijke soja wil moet je volgens hem “op zoek naar een certificaat dat aansluit bij jouw waarden”. Certificaten, zo blijkt, zijn er volop: de FEFAC, de Europese federatie voor veevoerfabrikanten, heeft een variëteit aan keurmerken voor de sojateelt onder elkaar gezet. Alleen verschillen deze schema’s in ambitie sterk van elkaar.

”Het gewas is zo succesvol, dat het ten koste gaat van het milieu”

- Richard Piechocki, Rabobank

Aan de ene kant van het spectrum heb je certificaten die als voornaamste voorwaarde stellen dat ‘boeren zich aan de plaatselijke wetgeving houden’. Aan de andere kant heb je een keurmerk als RTRS, de Round Table on Responsible Soy, dat doorgaans wordt beschouwd als het certificaat met de strengste regelgeving en daarmee de best mogelijke garantie voor een sociaal, milieutechnisch en economisch duurzaam productieproces. ‘Echt duurzaam beleid’, zegt Piechocki, ‘begint daar waar de wet ophoudt’.

De belangrijkste waarborg van het RTRS-certificaat is een houtkapvrije teelt. Daarnaast stelt de organisatie eisen aan onder meer de arbeidsomstandigheden, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de zorg om de bodem. Maar vooralsnog is het aandeel RTRS-soja beperkt; viermiljoen ton, of ongeveer één procent van de totale sojaproductie heeft het RTRS-keurmerk. Van die viermiljoen wordt bijna een derde afgenomen door Nederland.

“Echt duurzaam beleid begint daar waar de wet ophoudt”

- Richard Piechocki, Rabobank

Duurzaam groeien

Kan duurzame sojateelt überhaupt samengaan met de noodzakelijke toename in productie? Jazeker, zegt Bouwmeester. “Al zal je anders moeten omgaan met de grond. Nu zijn er bijvoorbeeld forse lappen braakliggend terrein of grasland die prima zouden kunnen dienen als soja-akkers. Daarnaast is het roteren van gewassen essentieel. Dit houdt de aarde gezond en vergroot de productie. Je kan bijvoorbeeld het ene seizoen soja verbouwen, het volgende maïs.”

De RTRS werd in 2006 opgericht. Piechocki: “Er kwamen steeds meer multinationals als McDonald’s en Ahold die zeiden: we willen een ontbossingsvrije keten. Maar toen na een paar jaar de eerste boeren partijen gecertificeerde soja leverden, werd het nauwelijks gekocht. Veel partijen weigerden een premium te betalen. Die multinationals zeiden niets met boskap te maken willen hebben, maar een paar dollar op de normaalprijs hadden ze er ook weer niet voor over.”

“Een paar dollar extra hadden multinationals er niet voor over”

- Richard Piechocki, Rabobank

“De hele industrie had al ontbossingsvrij kunnen zijn”

Van alle soja die we in Europa gebruiken, is 22 procent in overeenstemming met de — relatief ruime — richtlijnen van de FEFAC. Slechts 13 procent is gegarandeerd kapvrij. Als iedereen volop had gekozen voor eerlijke soja, meent Piechocki, en ook bereid was geweest daarvoor een meerprijs op te brengen, dan was de hele industrie inmiddels al verantwoord en ontbossingsvrij. “Het is het meest simpele economische principe: waar vraag is, volgt het aanbod.”

Volgens de duurzaamheidsstrateeg hebben we allemaal boter op ons hoofd. “Verplaats je eens in de positie van de telers”, zegt hij. “Op dit moment is er in Brazilië, Argentinië en Paraguay een oppervlakte van zo’n 110 miljoen hectare bos, pak ‘m beet ter grootte van de huidige sojateelt in Zuid-Amerika, dat nog volgens de plaatselijke wetgeving en dus legaal gekapt mag worden. Voor hen betekent die kap extra inkomsten van het hout, plus die van de groeiende productie. We kunnen niet verwachten dat zij het woud laten staan zonder dat de afnemers daar iets tegenover stellen. De hele keten zal een duit in het zakje moeten doen.”

Bouwmeester noemt ook het voorbeeld van de campagne tegen palmolie. “Een paar verschrikkelijke filmpjes van orang-oetans, en ineens leek iedereen bereid een dubbeltje meer te betalen voor een eerlijke chocoladereep.” In het geval van soja is dat alleen complexer, juist omdat het doorgaans niet op de verpakking staat. Als klant kan je onmogelijk weten of die kip in je winkelwagen goede of slechte soja heeft gegeten.

Wat moet de rol van de Rabobank zijn?

De bank kan de sector in duurzame richting bewegen door uitsluitend leningen te verstrekken aan en kennis te delen met verantwoorde landbouwers, of landbouwers die verantwoord willen worden. Daarbij is het van belang op de hoogte te zijn van de verschillende gradaties van ‘gecertificeerde teelt’: het kan heel goed dat een bedrijf een keurmerk heeft dat onder de FEFAC-richtlijnen valt, maar nog wel gewoon ontbost.

Een volgende stap, zegt Piechocki, is natuurlijke ecosystemen maken tot een economisch goed. “Nu zien boeren het regenwoud vooral als waardevol vanaf het moment dat ze het omhakken. Hoe kunnen we er voor zorgen dat juist het behoud ervan iets oplevert?” En daar ligt misschien wel de crux van het sojavraagstuk: het moet voor boeren interessant worden om de Amazone en de Cerrado te laten rusten.

Koolstofrechten

Samen met de milieutak van de Verenigde Naties heeft de Rabobank het fonds AGRI3 in het leven geroepen. Dit fonds zal telers gaan bedienen die zich inzetten voor een ontbossingvrije landbouw, een houdbare productie en een verbeterde levensstandaard voor de plaatselijke bevolking. Piechocki: “Boeren kunnen aanspraak maken op het fonds als ze bijvoorbeeld bijdragen aan de restauratie van een natuurgebied. We onderzoeken ook hoe we nog extra waarde kunnen geven aan bosgrond. Een mogelijkheid is dat boeren ‘carbon credits’ of koolstofrechten krijgen voor het woud dat ze laten staan. Die rechten kunnen ze vervolgens verkopen aan partijen die te veel broeikasgassen uitstoten.”

“De Lidl is sinds kort een enorme afnemer van RTRS-certificaten”

- Jochem Bouwmeester, Rabobank

Maar de verantwoordelijkheid ligt bij het collectief. Iedereen — de tussenhandelaars, de distributeurs, de retailers en consumenten — moeten bereid zijn wat meer voor goede soja te betalen. “Zo moeilijk is dat niet”, zegt Bouwmeester. “Neem nou Lidl, een budgetsupermarkt: zij zijn sinds kort een enorme afnemer van RTRS-certificaten. Je gaat me niet vertellen dat wat zij doen, andere multinationals niet kunnen.”