De crisis legt de kwetsbaarheden van onze geglobaliseerde voedselketen bloot

Bij het uitbreken van de coronacrisis wisten veel consumenten niet hoe snel ze zich naar de dichtstbijzijnde supermarkt moesten haasten. De dreiging van een nieuw dodelijk virus en de angst voor een algehele lock down, riep een vraag op die de meesten van ons nooit eerder hebben gesteld; is er straks nog wel voldoende voedsel voorhanden?

Minder zichtbaar voor het publiek is hoe ook boeren harde klappen opvangen tijdens deze crisis. Aardappeltelers bijvoorbeeld, die grotendeels produceren voor de horeca (frites aardappelen) en ook voor de export, dreigen door de sluiting van restaurants en internationale handelsbelemmeringen te blijven zitten met hun oogst.

De huidige crisis maakt meer dan eens zichtbaar hoe complex we onze voedselketen hebben ingericht. Terwijl onze boeren 75 procent van hun productie exporteren, halen consumenten 50 procent van hun voedsel van over de grens. Een gemiddelde hap heeft 30.000 kilometer afgelegd voor die op ons bord ligt. Zelfs ons voedsel dat op Nederlandse bodem is verbouwd, maakt vaak een lange omweg. Het wordt in het buitenland verwerkt tot hapklare producten die uiteindelijk hun weg terug vinden naar de Nederlandse supermarkt.

De vraag is of dat allemaal niet eenvoudiger kan? We leggen het voor aan hoogleraar economie en directievoorzitter van Rabobank Amsterdam Barbara Baarsma.

Moeten we deze crisis aangrijpen om onze voedselketen kritisch tegen het licht te houden?

‘Het is wrang om te zeggen, maar deze vreselijke coronacrisis biedt een vruchtbare bodem om de beweging van de korte ketens (het consumeren van dichtbij huis geproduceerd voedsel, red.) te versnellen. Consumenten hebben nu voor het eerst ervaren wat het is om mis te grijpen in de supermarkt, want bepaalde producten waren er simpelweg niet.’

‘Het zou mooi zijn als het besef indaalt dat het voor een goede leveringszekerheid van belang is dat er een eco-systeem is waarin naast verkoop van voedsel via de supermarkt, ook lokale aanbieders een rol spelen. Ik ben niet tegen de import en export van voedsel in het algemeen, maar ik denk wel dat deze crisis aantoont dat we de kwetsbaarheden van de huidige sterk geglobaliseerde voedselketens moeten doordenken. We importeren voedsel omdat we graag producten eten die we hier niet kunnen verbouwen of die buiten onze seizoenen vallen. Maar als we inzetten op korte ketens naast de internationale ketens, is de leveringszekerheid van ons voedsel uiteindelijk beter geborgd.’

Al het gesleep met voedsel lijkt niet alleen in crisistijd een probleem voor onze boeren. Bij het verhandelen, transporteren, koelen en verwerken van voedsel is een groot aantal bedrijven betrokken die allemaal iets willen verdienen. Boeren ontvangen vaak amper meer dan de kostprijs.

Waarom accepteren boeren dit?

‘Het is voor veel agrarisch ondernemers gemakkelijker om op de bestaande keten in te pluggen dan zelf rechtstreeks aan winkels, horeca of consumenten in de eigen regio te leveren. Omdat het internationaal om zulke grote hoeveelheden voedsel gaat, zijn die logistieke ketens heel efficiënt georganiseerd. Individuele boeren kunnen daar nauwelijks tegenop boksen, het gaat per boerderij tenslotte om relatief kleine hoeveelheden voedsel. Dit maakt het voor boeren relatief duur om hun oogst lokaal af te zetten.’

Toch slagen sommige boeren er wonderwel in om hun productie lokaal te vermarkten. De kazen van Remeker uit Lunteren zijn zo populair dat de boerderij eerder dit jaar tijdelijk ‘nee’ moesten verkopen aan klanten; ze konden de vraag niet meer bijbenen en breiden nu uit. De Paasboxen van boerderij Lindenhoff uit Baambrugge zijn al ruim voor de Paasdagen volledig uitverkocht.

Waarom kunnen andere boeren niet gewoon het voorbeeld van deze collega’s volgen?

‘Dit zijn allemaal voorbeelden van enkelvoudige lijnen van een producent naar ofwel een consument, of een horecabedrijf. Het is heel hoopgevend om te zien dat deze boeren hier zo goed in slagen, maar dit zijn wel niches. Logistiek zijn deze enkelvoudige lijnen veel minder efficiënt dan de dikke stromen die nu naar de export gaan.’

Wat is er nodig om veel meer boeren in staat te stellen om hun productie lokaal af te zetten?

‘Als verschillende voedselproducenten zoals tomatenkwekers, aardappeltelers, uienboeren, veehouders en anderen samen een keten zouden oprichten die op de regio is gericht, creëer je voedselstromen die dik genoeg zijn om aan efficiënte regionale ketens te bouwen. Boeren hebben dan de keuze om op de internationale of de regionale keten in te pluggen.’

Rabobank Amsterdam zet zich al geruime tijd in voor de korte ketens. Zo werkt de bank aan de ontwikkeling van een online platform waarop producenten uit de regio al hun aanbod kunnen plaatsen. Dit maakt het voor consumenten en horecabedrijven vele malen eenvoudiger om te ontdekken waar ze in hun regio goede aardappels, groentes, vlees en zuivel kunnen vinden. Daarnaast denkt de bank mee over de vraag hoe boeren voedsel duurzaam bij consumenten in de regio kunnen krijgen. Voor een deel zal dit via de supermarkten blijven gaan, maar er wordt ook gewerkt aan concepten om voedsel via elektrische busjes, over het water en per fiets rechtstreeks af te leveren bij consumenten thuis of op horeca-adressen.

Zijn kortere ketens financieel aantrekkelijk voor boeren?

‘Ja. Hun verdienmodel verbetert als er minder schakels zijn die allemaal een beetje winst willen maken. Zo blijft er meer marge over voor de boer. Dit geeft hem meer ruimte om de investeringen die hij doet om bijvoorbeeld de biodiversiteit te vergroten of om bodemdaling tegen te gaan te vermarkten. Een boer die voor consumenten in de nabijgelegen stad zichtbaar kan maken waar hij of zij voor staat, krijgt hopelijk ook een betere prijs.'

Als de coronacrisis straks voorbij is, en de herinnering aan de lege schappen in de supermarkt geleidelijk vervaagt, wat leveren de korte ketens mij als consument dan nog op?

‘Door voedsel te kopen uit de korte keten kun je bijdragen aan minder voedselkilometers, en daarmee minder filedruk en minder uitstoot van CO2 en fijnstof bij het transport, mits de logistiek van de korte keten duurzaam en door slimme samenwerking met voldoende schaal wordt uitgevoerd. Je draagt bovendien bij aan de transitie naar kringlooplandbouw. Het is nu eenmaal makkelijker om kringlopen op elkaar aan te sluiten als de verschillende activiteiten dicht bij elkaar plaatsvinden.’

‘Hopelijk zet het kopen uit de korte keten je aan het denken over wat je eet. Je krijgt dus een hoger voedselbewustzijn, en dat heeft mogelijk ook positieve gevolgen op je gezondheid.’

Tot slot, wat kan ik als consument doen om het ontstaan van korte ketens te bevorderen?

‘Je kunt aan je supermarkt vragen of ze het aanbod van lokale producten kunnen vergroten. Als ik in mijn supermarkt zie dat ze appels uit Argentinië verkopen, dan vraag ik waarom ze deze niet gewoon uit de Betuwe halen.’

‘Het helpt verder om zoveel mogelijk producten te eten die in Nederland geteeld kunnen worden. Dus je kunt beter peren en aardbeien eten dan bijvoorbeeld sinaasappels of ananas. En eet ook met de seizoenen mee: ‘eten wat het seizoen schaft’. Dit samen maakt dat we veel minder vers voedsel hoeven te importeren.’

‘Je kunt nu ook naar de website www.supportyourlocalsnl.nl om te ontdekken wat voor mooie producten er allemaal in jouw regio te krijgen zijn. Ik ben heel erg trots op deze nationale campagne, die mede door Rabobank is mogelijk gemaakt. Alle korte keten organisaties zijn vanaf 9 april onder één label te herkennen (supportyourlocals) en op één platform te vinden. We hebben zelfs gratis STER reclame kunnen regelen. Samen staan deze ketens veel sterker. Samen kunnen ze nadenken over slimme logistieke concepten. Samen bieden ze boeren veel meer lokale afzetmogelijkheden en jou een heerlijke verse en gezonde maaltijd. Wat wil je nog meer?’

Barbara Baarsma

Directievoorzitter Rabobank Amsterdam